Avontuurlijke scholeksters

Scholekster. Foto Koos Dijksterhuis
Scholekster. Foto Koos Dijksterhuis

De eerste scholeksters verschijnen in de steden en dorpen. In de berm scharrelen ze rond tussen de meeuwen. Het zijn de vroegste verkenners sinds scholeksterheugenis. Waren ze vorig jaar al vroeg, nu zijn ze weer een paar weken eerder. Een deel van de scholeksters trekt na de winter van de kust het binnenland in om daar te broeden en wormen te eten. Eerst deden ze dat op weilanden, toen op akkers, maar nu het daar niet meer lukt trekken ze de stad in.

In de stad eisen geen landbouwmachines maar auto’s hun tol. En katten. Maar in de bermen zijn wormen en emelten te vinden, de larven van langpootmuggen. De bermen worden niet volgespoten met vloeibare mest (dierlijke diarree) waarin het bodemleven verzuipt.

Het is een gezellig gezicht, elke lente, die parmantige vogels met hun zwart-witte toga op hun rozerode poten. Ze steken hun oranjerode snavels in de grasmat en spieden met hun al even oranjerode ogen de omgeving af. Zijn daar rivaliserende scholeksters? Dan is het tijd voor een luid en opgewonden “tepiet tepiet tepiet”!

Maar die rivalen zijn er nog niet. Alleen de grootste avonturiers beginnen nu al aan een stedentrip. Weldra zullen er meer bonte pieten komen. Ze verzamelen zich vaak eerst bij meertjes vlak buiten en vijvers in de steden of dorpen. Daarvandaan wordt via de bermen het wegennet verkend.

En waar broeden ze? Sommige op kale stukjes grond, op naburige akkers waar de restjes gras van afgelopen herfst niet ondergeploegd zijn, en in natuurgebiedjes. Maar veel scholeksters zoeken een plat dak op, een plat dak met grind en goede afwatering. Daar zijn hun eieren en kuikens veilig voor auto’s en katten.

(Natuurdagboek Trouw maandag 15 feb. 2016)