Appels van de galwesp

Galappel op eik. Foto Jeanette Essink
Galappel op eik. Foto Jeanette Essink

Galappels zijn geen appels en geen gal. Het zijn ook geen vruchten. Het zijn woekeringen van de plant of boom waar de galappels aanzitten. De plant of boom reageert dan allergisch op de aantasting door een schimmel of insect. De kogelronde gallen op bijvoorbeeld de onderkant van eikenblaadjes, die vaak glanzend geel of rood zijn en op mini-appeltjes lijken, zijn veroorzaakt door een klein wespje. Dat is het galwespje Cynips quercusfolii.

Dat wespje plakt eitjes tegen een bladnerf aan, waarop het blad reageert met een gezwel. Als de larve uit het eitje kruipt, woekert het gezwel nog harder voort. Het larfje maakt het zich in het klokhuis van de galappel gemakkelijk, veilig voor rupsen-etende vogels. Maar niet veilig voor bepaalde sluipwespen, die drommels goed weten dat zich in de galappel een lekkernij bevindt. Zo’n sluipwesp prikt haar legboor de gal in en legt op de tast een eitje in de larve, die vervolgens tot voedsel van de sluipwesplarve dient.

Als de galwespenlarve niet wordt geënterd door een sluipwesp, verpopt hij zich in de herfst. In de winter wordt de pop een nieuw galwespje. Maar dat galwespje ziet er anders uit dan haar moeder. Het is een stuk groter. En legde haar moeder het eitje op een bladnerf, zij zet ze af op de boomknoppen. In de winter is er immers geen blad? Het zijn ’s winters altijd vrouwtjes, die ontpopte galwespjes. De eitjes die ze leggen, blijven bij gebrek aan mannetjes onbevrucht. Rond die eitjes onstaan kleine galletjes met rood haar, waaruit in de lente alweer sluipwespen kruipen. In de lente verschijnen er ook weer mannetjes. De zomerwespjes zijn een stuk kleiner dan de winterwespjes.

(Natuurdagboek Trouw dinsdag 16 dec. 2014)