Altijd groen vogelvoer

Vogelmuur. Foto Koos Dijksterhuis
Vogelmuur. Foto Koos Dijksterhuis

Een immer doorgroeiend plantje is vogelmuur, ook wel sterrenmuur genoemd. Vogelmuur is klein en groen, met witte bloempjes. Het wordt in de landbouw met vergif onder de duim gehouden, want de intensieve grondbewerkingen in die landbouw krijgen de plant niet weg. Integendeel, vogelmuur gedijt juist prima als je de grond overhoophaalt.

Als je vogelmuur als onkruid beschouwt, kun je het gemakkelijk uittrekken. Ook kun je het negeren; het blijft klein, kan niet met welk gewas ook concurreren en verdwijnt vanzelf weer. Wie van vogelmuur een probleem maakt, heeft kennelijk behoefte aan een luxeprobleem. Op akkers wordt vaak geen ander leven getolereerd dan het gewas, hoe onschadelijk of nuttig dat leven ook is, en dus wordt er vergif gespoten. Dat kost geld, tijd en brandstof, want zoals alles geschiedt ook gifspuiten met machines. Het kan helemaal niet uit.

Wie vogelmuur laat staan, wordt waarschijnlijk beloond met zangvogels. Vanouds typische akkervogels als kneuen kunnen met hun kleine, zachte snavels geen harde zaden kraken, en voor hen zijn de zachte zaadjes van vogelmuur een uitkomst. Zeker omdat vogelmuur de hele winter door groeit, bloeit en zaad vormt. Niet voor niets zijn kneuen van landbouwgebied naar natuurreservaten verhuisd.

Behalve de zaden zijn de blaadjes van vogelmuur eetbaar en behoorlijk eiwitrijk. Ook putters en andere vogels zijn dol op vogelmuurzaadjes. Vogelfokkers voeren hun vogels vogelmuur; gratis uit de tuin. Vogels werken soms alle delen van de plant naar binnen. Alleen de stengels worden op den duur taai. Daarom is het voor mensen aan te raden vogelmuur te eten voordat er bloemen zijn. Dan zijn ook de stengeltjes nog zacht. Vogelmuur is een smakelijke plant voor in de sla.

Vogelmuurblaadjes zijn eivormig, met een puntig topje. De witte bloempjes lijken tien kroonblaadjes te tellen, maar het zijn er vijf, die heel diep ingesneden zijn.

(Natuurdagboek Trouw vrijdag 6 december ’19)