Agrarisch natuurbeheer werkt

© Koos Dijksterhuis

Natuurbeschermers met voorkeur voor ruige moerassen vol grote beesten roepen vaak dat agrarisch natuurbeheer niets oplevert. Volgens Wouter Helmer en Kees de Ruiter van ARK Natuurontwikkeling heeft ‘agrarisch natuurbeheer honderden miljoenen gekost, zonder noemenswaardig resultaat’ (Trouw, afgelopen maandag). Dat natuurontwikkelaars dat beweren maakt me verdrietig. Er zijn genoeg voorbeelden waar het wel lukt, vooral in akkerland. Kom ik zo op terug.

Als het Wereldnatuurfonds geld zoekt voor de bijna uitgestorven tijger of neushoorn , mag ik dan concluderen dat het WNF na 30 jaar lang redden van tijgers of neushoorns geen noemenswaardig resultaat heeft geboekt?

Precies zo redeneren sommige natuurbeschermers over agrarisch natuurbeheer. Precies zo redeneert de regering over het moderne natuurbeheer met grote grazers in moerasbos. Ondanks jarenlange groei van het oppervlakte beschermde natuur, neemt de kwaliteit van die natuur af. Minder soorten planten, minder soorten dieren. Afschaffen dus maar, dat natuurbeheer?

De kritiek op het agrarische zowel als het wilde natuurbeheer is deels terecht. Jarenlang wordt zonder veel onderzoek naar de resultaten een subsidie uitgekeerd voor een knotwilg of gruttonest, jarenlang wordt zonder veel onderzoek naar de effecten een veestapel aan grazers losgelaten. Als er dan eindelijk eens een onderzoekje wordt gedaan en de hoeveelheid dieren en planten blijkt evenzeer te zijn afgenomen, dan staan de roependen meteen klaar: mislukt, afschaffen!

Helmer en De Ruiter roepen alleen dat het mislukt. Ze pleiten niet voor afschaffing van het agrarisch natuurbeheer. Ze pleiten voor plaatselijke samenwerking in dat natuurbeheer. Dat doet me dan weer deugd. Al weten ze kennelijk niet dat er plaatselijk al jaren wordt samengewerkt tussen boeren, natuurbeschermers en onderzoekers. Die laatsten zijn essentieel, zij meten of laat maaien, wilgen knotten en bloemenrandjes inzaaien goed uitpakt voor de planten en beesten die je van dienst wilt zijn.

In Oost-Groningen gebeurt dat al twintig jaar. Daar zijn dankzij agrarisch natuurbeheer grauwe kiekendieven, veldleeuweriken, patrijzen en een hele rij andere bijna weggevaagde vogelsoorten van de ondergang gered. Sinds twee jaar broeden er weer geelgorzen. Sinds een jaar ook blauwe kiekendieven. Het wemelt er van de hazen, er komen nergens in Nederland zoveel reeën voor. Natuurbeschermers en boeren bekijken jaar na jaar hoe ze de natuursubsidie nog beter kunnen besteden. De Groninger aanpak wordt ondertussen toegepast in heel Nederland, in België en in Duitsland.

In Flevoland is langs de plek waar het Oostvaarderswold zou komen een akker ingericht voor vogels.  Te midden van de grootschalige, hypermoderne landerijen van Flevoland staan wat struwelen met een woeste akker. De hele winter hangen er torenvalken, buizerds, blauwe kiekendieven en ruigpootbuizerds rond. Vroeger konden zulke roofvogels terecht in de Oostvaardersplassen, waar ze uit verdreven zijn door de grote grazers. Zangvogels weten het perceel ook te waarderen. Geelgorzen, groenlingen, kepen, rietgorzen, zelfs kustvogels als fraters en sneeuwgorzen duiken er op. En de laatste weken zitten er grauwe gorzen, sinds de jaren tachtig zo goed als uitgestorven in Nederland. Afgelopen zomer broedden er kwartels en zomertortels, weer twee soorten die uit Nederland weggepest worden en die weinig hebben aan het moderne natuurbeheer. Het moderne natuurbeheer houdt vaak in dat een natuurgebied strak begrensd is. Direct buiten hek en sloot strekken zich de agrarische woestijn van biljartweilanden en platgespoten akkers uit. Laten we die twee combineren:  de overgang tussen natuur en cultuurland kan heel mooi en spannend zijn. Als Helmer en De Ruiter voor samenwerking met agrarische natuurbeheerders te porren zijn, kunnen ze gaan roepen dat ‘agrarisch natuurbeheer werkt!’