Aan de wandel naar een drol

Mestkevers in poep. Foto Koos Dijksterhuis
Mestkevers in poep. Foto Koos Dijksterhuis

In de lente en zomer worden bospaden druk bewandeld, meer nog door kevers dan door mensen. Van mestkevers bijvoorbeeld wemelt het op die paden. Maar wat zijn ze onhandig en traag!

De dikke, zwarte kevers met blauwe of paarse glans strompelen langzaam voort. Vaker nog liggen ze spartelend, stervend of dood op hun rug. Of vermorzeld op hun buik – doodgetrapt door mensen. Hoe onbeholpen mestkevers zijn, zo verpletterend zijn mensen.

Een enkele mestkever stapt kordaat voort. Misschien is de tor een drol op het spoor. Eénmaal gevonden, dan graaft het insect zich door dit hemelse gerecht heen. Bij voorkeur eten mestkevers mest van planteneters. Zodat ze hun portie groenten binnenkrijgen.

Sommige soorten mestkevers rollen een balletje stront achterwaarts voort, naar hun nestholte, waarin ze de diepgelegen kraamkamers ermee afsluiten. In elke kamer een eitje. Zo worden de keverlarven straks geboren in een overvloed van babyvoeding.

De holen van mestkevers zien eruit als kratertjes met een zandige rand. Zo zien mierennesten, groefbijennesten en graafwespennesten er ook uit, dus je moet een kever er al in of uit zien glippen om er zeker van te zijn welke holbewoner de krater beheert.

Als de eitjes uitkomen, blijven de rupsen minstens de hele winter in de grond. Zelfs als ze verpopt zijn tot kever, kunnen ze nog een tijd ondergronds blijven. Voor zo’n kever moet de stap naar buiten een enorme overgang zijn en wellicht een bloedstollend griezelige ervaring. Ineens in het licht, in kou of hitte, met mollen, egels en vogels die hen kunnen opeten, met mensen die hen vertrappen. En hoe handig ze ook waren in graven, het lopen moeten ze nog leren. Op naar een dampende drol!

(Natuurdagboek Trouw maandag 24 aug. 2015)