Groenland 16 – IJsbeer

In een waarschuwingsfolder over ijsberen lees ik de truc van het ontkleden. Ik zou nu wat meer kledij kunnen afstaan, maar een boze beer met honger of met jongen taalt volgens mij niet naar rondslingerende kleren. Die valt aan en rent aanmerkelijk sneller dan ik, ondanks mijn uitstekende bergschoenen. Ze komen hier zelden, maar je zult beleven dat als er dan eens één komt, ik juist in mijn eentje rondsjouw. Beren met honger of jongen zijn er in de lente. Het is nu lente.

In een rommelhok van het veldstation liggen een paar knalgroene paraplu’s. Stichter Hans Meltofte gebruikte die tegen ijsberen. Ook op Spitsbergen, waar veel ijsberen zijn, bewapenen onderzoekers zich met paraplu’s. Als je de plu openklapt, schrikt de ijsbeer zo van het plotselinge, oogverblindende groen, dat hij op de vlucht zou slaan. Hans heeft voor Zackenberg extravagante modellen uitgezocht, waar met de plu een soort kikkergezicht met grote ogen uitklapt. Leuk voor kinderen, de schrik voor ijsberen.

Of zou het een ijsbeer juist nieuwsgierig maken? IJsberen bedoelen het meestal niet kwaad, maar hun nieuwsgierigheid kan angstaanjagend zijn. Nico Tinbergen schrijft er droog over in Eskimoland: ‘Een ijsbeer die niet aangevallen wordt, schijnt zelden gevaarlijk te zijn, en de meeste ongelukken gebeuren (…) doordat een mensch, die ergens in een gebukte houding stil bezig is, door een beer niet als een mensch herkend wordt, waarop hij het vreemde voorwerp op berenmanier onderzoekt, wat wil zeggen, dat hij het een flinke klap met de voorpoot geeft, om te zien wat het doet. Dan komt van het een het ander, en dan is een gewapend mensch beter af dan een ongewapend.’ Ik heb geen wapen. Ik heb ook geen walkietalkie of GPS. Zelfs mijn kompas heb ik niet bij me, die zit nog in mijn kleine rugzakje. Zolang het niet mist, zal ik niet verdwalen.

Groenland 16 – IJsbeer
DELEN