Dode schoonheid

© foto: Koos Dijksterhuis, een dode Oehoe in Spanje

In Spanje zat een oehoe met gespreide vleugels op de grond. Op klaarlichte ochtend. De uil keek niet rond. Uilen kijken rond, bijna 360 graden, zeker als er mensen aankomen. Deze uil keek naar beneden. Leefde hij wel? Nee, hij had een gebroken nek, hoewel zijn ogen nog glansden. Ik wipte met twee vingers onder de snavel zijn kop iets omhoog en de vogel keek even dwars door me heen als een levende oehoe zou doen. Ik houd ervan als er dwars door me heen gekeken wordt. Ik houd van unheimnlichkeit. Uilen hebben iets unheimlichs. Geruisloze schimmen in de nacht. Lees “Dode schoonheid” verder

Blij met dode vogels

© foto Harvey van Diek, Beflijster

Voor de vakantie schreef ik dat ik twee keer per week in ons roetsige busje naar Flevoland op en neer rammelde. Dat ik de weg droomde en er desondanks vanaf raakte door een zeearend. Dat ik overal doodgereden dieren zag liggen. Dat die er een week later nog net zo bijlagen. Het was toen nog koud – de warmte had vast korte metten gemaakt met die krengen. Maar iets anders maakte de metten kort. Na dat natuurdagboek kreeg een ornithologisch aangelegde Trouw-redacteur een e-mail van een preparateur die (wan)hoopte dat ik toch wel het benul had een dode blauwe kiekendiefman mee te nemen en in te vriezen? Lees “Blij met dode vogels” verder

Spotvogel

© foto Harvey van Diek, Spotvogel

De koekoeken, gierzwaluwen, bosrietzangers, tuinfluiters en karekieten zijn thuis. Als je Nederland thuis noemt. Het grootste deel van het jaar zijn ze niet thuis maar in Afrika of onderweg. Ook een nachtegaal heb ik gehoord. Zomertortels keren ook terug, maar heb ik nog niet gezien of gehoord. Die voorheen algemene erfvogels zijn zeldzaam geworden. Het wachten is op notoire laatkomers als spotvogel en wielewaal. De laatste is zo zeldzaam geworden dat ik hem toch niet hoor. Maar spotvogels hoor ik elk jaar nog. Altijd een feestelijk wederhoren. Lees “Spotvogel” verder

De schaamteloze, vrije koekoek

© foto: Harvey van Diek

De bloemen en insecten die verschijnen, zijn niet meer bij te benen. Vogels gaan nog. Vorige week zag ik de eerste gierzwaluwen. Drie van deze snelle jongens of meisje gierden van Zuid- naar Oost-Flevoland. Toen hoorde ik ook de eerste tuinfluiter, de eerste kleine karekiet, de eerste bosrietzanger. Maar die gierzwaluwen brachten de lente. De eerste koekoek hoorde ik juist op de regenachtige maandagochtend na een week zon. Ik werd om zes uur wakker en hoorde ‘koekoek’, gevolgd door ‘koekoekoek’, want bij een koekoek slaat de stem weleens over. Het gaat niet zo best met onze koekoeken. Hun leefgebied hier wordt er niet beter op, de grote rupsen waar ze zo gek op zijn, zijn niet meer zo talrijk, en in Afrika gaat hun winterverblijf er ook al niet op vooruit. Lees “De schaamteloze, vrije koekoek” verder

Weerloze stuntels van langpootmuggen

Langpootmug. © Maarten Westmaas

Ik kwam de eerste langpootmuggen alweer tegen. Muggen zijn niet mijn lievelingsdieren maar langpoten, och. Ze doen niets. Zelfs dat griezelig puntige achterlijf kan niet steken. Dat is de legboor, alleen vrouwtjes hebben er een. Bijten kunnen ze ook al niet. Voor bijten heb je tanden of kaken nodig. Langpootmuggen hebben een mondje waarmee ze hooguit wat nectar uit een nachtelijke bloem slobberen. Lees “Weerloze stuntels van langpootmuggen” verder