Blauwe kiekendieven worden akkervogels

Prooi overdracht Blauwe Kiekendief, © Hans Hut

Ze hadden het wel eens eerder geflikt, maar nu lijken blauwe kiekendieven structureel voor akkers te kiezen. In de provincie Groningen hebben althans twee paartjes met succes in een korenveld gebroed. Eén paar bracht vier jongen groot, het andere liet er twee uitvliegen. Een derde paartje kwam niet verder dan baltsen. Ondertussen kwijnt de soort weg op de Waddeneilanden.

De blauwe kiekendief lijkt het voorbeeld van de grauwe kiekendief te volgen. Die verdween als broedvogel uit de duinen, moerassen en hoogvenen, maar broedt sinds 1990 in akkers. Dertig, veertig paren houden dat vol dankzij nestbescherming en vooral dankzij brede akkerranden waar veldmuizen te vangen zijn. Nestbescherming en akkerranden zijn het resultaat van samenwerking tussen akkerbouwers en de Werkgroep Grauwe Kiekendief. Deze zeer actieve werkgroep beschermt en onderzoekt niet louter grauwe, maar ook blauwe en bruine kiekendieven en andere akkervogels.

Het is mooi dat twee paar blauwe kiekendieven in een akker terecht konden, maar dat de vroegere Nederlandse populatie van tegen de 160 paren is geslonken tot een stuk of dertig, is minder mooi. Het zal misschien komen door het matiger prooiaanbod en het hogere gras in de duinen, waardoor die prooien lastiger te vangen zijn. Ook lastig voor kiekendieven zijn de grote grazers die overal in de natuur worden losgelaten.

Zijn de vogels nou van de Waddeneilanden aan het verhuizen naar akkerland op de wal? Of is er toevallig eens een paartje in een akker beland en hebben hun jongen die voorkeur overgenomen? Eén van de Groninger broedvogels doet het laatste denken. Die blauwe kiek was drie jaar geleden als kuiken geringd in een perceel wintergerst bij Emden.

Gespecialiseerde bijen

Honingbij op brunel, © K. Dijksterhuis

Na een treinreis van 12 uur zijn we in Oostenrijk. Gebroken gaan we slapen in zo’n houten huis met balcons vol gerania en petuniae. Om zeven uur worden we wakker gebeierd door het kerkje van het Alpendorp. Witte muren, zwarte spits. De zon straalt, de lucht is wolkenloos, de bergen zijn hoog, steil en badend in oranje zonnegloed. Het pension heeft een zwembad. Daar hangen wij rond. Er zijn weinig vogels, weinig bloemen. Oostenrijk gaat prat op gutbürgerlichkeit en daarin past geen rommel. Op het glooiende, gemillimeterde gazon bloeien twee soorten bloemen: brunel en witte klaver. In de loop van de ochtend wordt het warm en komen steeds meer bijen op die twee soorten bloemen af. ’s Middags zijn ze weer weg, maar ’s morgens vormen de bijen een hecht netwerk – elke halve meter zoemt er één op of vlak boven de grond. Een vriend die mee is waarschuwt herhaaldelijk voor het risico van blote voeten. Hij paradeert behoedzaam naar zijn handdoek.

Ik volg een bij met de camera. Hij vliegt van witte klaver naar witte klaver. De brunellen negeert hij. Een andere bij zit op brunel. Hij loopt zoemend naar een andere brunel. Hij toont geen enkele belangstelling voor witte klaver. Ook andere bijen blijken trouw te zijn aan één van beide bloemen. Blijkbaar hebben ze zich binnen het tweepartijenstelsel in één partij gespecialiseerd. Ik probeer de mogelijke voordelen van zo’n specialisatie te bedenken, maar mijn gemijmer wordt onderbroken door een bloedstollende kreet. De vriend die mee is stapt op een bij en wordt gestoken. Hij steekt zijn voet in het ijskoude zwembad maar het blijft schrijnen.

Berggeiten

Gems, © K. Dijksterhuis

Bij gemzen dacht ik altijd aan berggeiten op rotsen, hoog boven de boomgrens. Hoog boven de boomgrens heb ik ze wel eens gezien, maar vaker zag ik ze op vijfhonderd, duizend meter. Ooit liep ik in Oostenrijk bij Villach door het bos en renden er een paar de helling op. Twee jaar geleden kwamen we een gems tegen in de voetheuvels van de Apennijnen, Italië. We waren op vijftien meter afstand, die gems keek even op, graasde toen onbekommerd verder. En al stapte hij grazend van ons af, een wilde indruk maakte hij bepaald niet. Lees “Berggeiten” verder

Geen bruine vis

Dode Bruinvis op de Balg te Schiermonnikoog, © K. Dijksterhuis

Zaten we met vrienden op het strand een boterham te eten, komt Frans aanlopen met een aangespoelde bouwvakkershelm op zijn kop. Hij sleept iets aan een touw achter zich aan. Het is een dode bruinvis. Dat wil zeggen: de huid van een bruinvis. De vissenstaart, de huid, de schedel. De wervelkolom is eruit, de ingewanden ook op wat schraapsel aan de huid na. En wat hersenen in de schedel. Een kwab die uit een oogkas flabbert. Er zwermen vliegen omheen. Op de enorme strandvlakte aan de oostpunt van Schiermonnikoog tref je tot boven zee vliegen aan. In het water spelen watervlooien en vlokreeftjes de rol die vliegenmaden te land hebben. Lijken opvreten. We bekijken de vergane bruinvis gefascineerd, maar we bekijken hem niet van alles kanten. Van de ene kant is de stank ondraaglijk. Tjongejonge, wat een lijkenlucht. Lees “Geen bruine vis” verder

Trekjuffers

In augustus komen de Noordse winterjuffers na een zomerstop op gang. Nou ja, voor zover ze er zijn dan. Ze zijn zeldzaam en waren zelfs bijna helemaal uit Nederland verdwenen, maar komen de laatste jaren weer wat meer voor. Deze juffers brengen als volwassen juffers de winter door. En zijn daarbij niet honkvast. Integendeel, de Noordse zijn echte trekjuffers. In de herfst zweven ze uit hun leefgebied in het natte grensgebied tussen Zuidoost-Friesland, de Kop van Overijssel en de Noordoostpolder  naar drogere gronden in het noordoosten. In Friesland, Drenthe, Groningen, Twente en Duitsland brengen ze de winter door. Dat doen ze op een heideveld of een ruig grasveld tussen houtwallen. In de lente keren ze terug naar de Kuinderplas, de Wieden, de Weerribben en de Rottige Meente. Ze kunnen flink uit de koers raken, blijkt uit zomerwaarnemingen. Noordse winterjuffers zijn niet zo koersvast, ze laten zich meevoeren door de wind. Dit staat allemaal door Ronald van Seijen beschreven in het Friese natuurblad Twirre.

In de herfst waait er meestal een zuidwester, dat komt wel goed. In de lente krijgen de juffers paar- en eidrang als het mooi weer is. Oostenwinden brengen mooi weer mee. In de eitijd is het vrij vaak noordoostenwind. Maar soms wordt er uit het zuidoosten gewaaid en belanden de juffers waar ze niet moeten zijn. Dat wil zeggen, ze kunnen best een mooi meertje vinden  hun eitjes in te leggen. Bijvoorbeeld in midden-Friesland. Maar dan wordt het herfst en waaien ze met nageslacht en al naar het noordoosten. En komen ze te noordelijk uit voor droge heideveldjes of houtwallenweidjes. En gaan ze alsnog de pijp uit.