Gier in het vizier

Zondag de monniksgier gezien. Met vrouw en dochtertje begaf ik mij naar het buitendijkse Fryske Gea waar de gier zich al twee weken bevond. In de kilometersbrede kwelders en zomerpolders die zich uitstrekken tussen Zwarte Haan en Holwerd kan zelfs een 2,80 meter spannende roofpiet onzichtbaar blijven, te meer daar het gebied doorsneden wordt door zomerdijken die het zicht op zittend gevogelte ontnemen. Gier?ontdekker en boswachter Albert Ferwerda uit Ferwerd had me verteld dat hij hem vrijdagmiddag nog gezien had bij Blija. Vrijdagavond nam ik er vast een kijkje zonder de gier te ontdekken. Sinds 1900 is één keer een monniksgier in Nederland gezien. Die is meteen doodgeschoten en staat nu opgezet in museum Naturalis te Leiden. De dichtstbijzijnde monniksgieren wonen in Spanje, op enkele uitgezette vogels na in de Franse Cevennen. Daar zal deze gier wellicht vandaan komen. Het is een wilde, want Ferwerda had gezien dat hij geen ring droeg. Lees “Gier in het vizier” verder

Een goedmoedige schommel

Uw botten zouden versplinteren als een das erop knabbelde. Misschien op hyena en veelvraat na heeft geen zoogdier zulke sterke kaakspieren als de das. Vreemd, want een das eet vooral wormen, larven, kikkers, muizen, vruchten en honing; grut dat ie zonder kauwen in zou kunnen slikken. Die kaken passen ook niet bij het karakter van de das. Een goedmoediger schommel is moeilijk te vinden. Met vele soortgenoten bewonen ze een uitgebreid holenstelsel: de burcht. Zelfs vossen worden door dassen in de burcht getolereerd. ‘s Avonds komt de das te voorschijn. Eerst snuffelt ie of er gevaar dreigt. Dan poetst het propere dier zijn pels, waarna de hele familie elkaar begroet. Men stoeit, vlooit, snuffelt en deelt muskus uit, de geurstof waaraan dassen elkaar herkennen. Na eventuele reparaties aan de burcht trekt de das erop uit. Hij schommelt het bos door, naar drassige velden, akkers of houtwallen, want daar zijn wormen en knaagdieren te halen. Voor zonsopgang rolt hij zich weer op in zijn burcht. Lees “Een goedmoedige schommel” verder

Herfst aan de Costa del Sol

Graadje of 25 is het. In de zon is het alleen uit te houden dankzij het briesje dat soms de windstilte weg aait. Zandkorrels kriebelen langs mijn rug. De Costa del Sol is het noordelijkste badstrand van Nederland, op Schiermonnikoog. De zee deint niet heftiger dan een zwembad na sluitingstijd. Het water sist tegen mijn gestoofde huid. Ik tuur over het strand. Geen mens te zien. September, de schoolvakantie is ten einde. Achter me klinkt gekras. Ik draai me om en zie een grote stern zijn vleugels inklappen om als een bliksem het water in te slaan. Hij duikt een visje op: zandspiering zo te zien. (Zo te zien? Zou ik een zandspiering op afstand herkennen? Toegegeven: ik gok dat het een zandspiering is.) Vliegt dan stug door, gevolgd door een soortgenoot. Ze vliegen in hun eentje, op tientallen, soms honderden meters van elkaar. Maar ze blijven komen, krassen en zandspiering duiken. Een eindeloze reeks grote sterns stroomt van rechts naar links, van oost naar west, van de Duitse, Deense en Baltische broedkolonies naar de Atlantische kust van Afrika. Daar overwinteren ze, van Marokko tot Zuid?Afrika. Lees “Herfst aan de Costa del Sol” verder

Een luisterrijke nacht in het moeras

‘s Nachts is het stil in de Alde Feanen. Tot de kikkers kwaken. Ganzen gakken, een koekoek roept, aalscholvers piepen, de rietzanger zingt. Maar de waterrallen zwijgen. Een nacht varen, lopen en luisteren in het moeras.

Het gepruttel van de buitenboordmotor is het enige geluid als we tegen middernacht uit Earnewâld de Alde Feanen in tuffen. De afgemeerde motorjachten steken wit af tegen de zwarte oever met hier en daar een donker zomerhuis tussen de contouren van bomen en struikgewas. Waarom zijn die jachten toch altijd wit? Aan dek van zo’n gevaarte licht een sigaret op. We zwaaien alle drie, hoewel het onwaarschijnlijk is dat de nachtelijke roker ons kan onderscheiden. We leggen aan bij een paal en zetten de motor af. Waterrallen willen we horen. Waterrallen, de schuwe neven van waterhoen en meerkoet, sluipen op hun grote poten door het nachtelijke riet en laten zich zelden zien. Vaker laten ze zich horen; luidruchtig gillend, knorrend en kreunend. Maar nu houden ze zich koest. Lees “Een luisterrijke nacht in het moeras” verder

Alleen in het veen

Tussen de pollen zitten kale stukken modder. Die moet ik zien te vermijden. Anders bestaat de kans dat ik met ongepaste snelheid in verticale richting naar beneden verdwijn.

‘Houdt dat veen me wel?’ vraag ik als toezichthouder Van der Meulen me op een zompig eiland in de Alde Feanen achterlaat. ‘Waarschijnlijk wel’, is zijn geruststellende antwoord. ‘Als je maar niet die broekbossen in gaat.’ Ik zet vijf stappen en de bodem veert als een trampoline mee. Doodeng. Trilveen heet dit verschijnsel; een verwortelde laag die op het drabbige moeraswater drijft. ‘Hoe dik is die laag?’ Van der Meulen trekt een vragend gezicht. ‘Halve meter?’ Lees “Alleen in het veen” verder