Vliegen vangen met azijn

Horren en vliegenmeppers zijn soms ontoereikend in de bestrijding van vliegen. Vliegenvallen werken niet optimaal. Met combinaties van voor vliegen onweerstaanbare geuren en lichtbronnen zouden die veel effectiever kunnen worden, ontdekte vliegenonderzoekster Renate Smallegange.

Wie ooit met zijn haar aan een aan het plafond bungelende vliegen-strip bleef kleven, zal zo’n ding nooit meer ophangen. Bovendien is het slagveld van kreperende vliegen op zo’n kleefstrip een akelig gezicht. En hoewel sommige vliegen onweerstaanbaar door de stroperige strip worden aangetrokken, zijn andere er volstrekt niet in geïnteresseerd. Individuele voorkeuren van vliegen maken het moeilijk een ultieme vliegenval uit te vinden. Maar het kan wel stukken beter dan de huidige vliegenvallen. ‘Dat zijn vaak UV-vallen achter een rooster dat vliegen executeert’, vertelt entomoloog Renate Smallegange, die onlangs in Groningen promoveerde op haar onderzoek naar de aantrekkingskracht op huisvliegen (Musca domestica) van lichtkleuren, lichtfrequenties en geuren. Die vallen schieten tekort, en niet alleen omdat de elektrocutieroosters vaak te grofmazig zijn. Smallegange: ‘Het onzichtbare UV-licht is voor mensen schadelijk. Om te kunnen zien dat zo’n lamp brandt, zendt een val het vaak uit in combinatie met blauwig tl-licht. Vliegen vinden licht dat wij niet kunnen zien juist aantrekkelijker. Je kunt dus bijvoorbeeld beter een klein rood lampje laten waarschuwen dat de UV-lamp brandt. de vallen hebben meestal een wit omhulsel, terwijl vliegen de voorkeur geven aan een zwarte achtergrond, vanwege het sterkere contrast met het UV-licht. De lampen zijn vaak langwerpig, terwijl vliegen volgens Brits onderzoek eerder op een piramidevorm afkomen.’
Het vang-succes van een vliegenval verschilt nogal met de leeftijd en het geslacht van vliegen. Gangbare lampen hebben een flikkerfrequentie van 100 hertz. Als Smallegange de frequentie varieerde, bleken uit een kamer de vrouwtjesvliegen het snelst bij 40 hertz gevangen te worden. Mannetjesvliegen gaven de voorkeur aan een hoge knipperfrequentie van 175 hertz. Maar hun eerste drie dagen blijken vliegendreumesen van beide kunnen helemaal niet op licht af te komen.
Licht met een extreem lage frequentie (10 hertz) trekt vliegen niet aan, maar jaagt ze weg. Zo’n lamp zou volgens de promovenda ook in de vliegenbestrijding ingezet kunnen worden, als die maar niet ook voor mensen zichtbaar licht uitzendt. Want mensen zouden niet goed worden van dat geflikker.

Smallegange hield dagenlang vliegen in donkere, lichte en schemerige laboratoriumkamers in de gaten en keek hoe ze reageerden op licht van diverse kleuren en frequenties. Iedere vlieg die tegen het rooster voor de lichtbron botste, werd door een computer geregistreerd. Behalve met licht experimenteerde ze met geuren. Ze ontdekte dat vliegen zich beter laten vangen met azijn dan met honing. ‘Honing is niet vluchtig genoeg’, verklaart ze. Het optimale vliegenparfum is een mengsel van kippenmest, rottend vlees, gist en brood gedrenkt in bier of azijn. Bier lokt overigens vooral vliegenmannen, want ook in geurvoorkeur verschillen de vliegenseksen.
Vliegenvallen zijn in gebruik in de levensmiddelenindustrie, waar Europese regels de aanwezigheid van zelfs een enkele vlieg verbieden. Eén vlieg heeft gemiddeld 2,5 tot bijna 30 miljoen bacteriën op zijn lijf. En daar kunnen ziekteverwekkers tussen zitten. Veehouders proberen in hun stallen de vliegen in toom te houden omdat ze gestalde dieren hinderen. Bestaande vliegenvallen blijken in een afgesloten ruimte hooguit driekwart van de vliegen in de val te lokken. In een grote stal weet een val de vliegen nauwelijks van de verleidelijker mestdampen en diergeuren af te houden. Veehouders grijpen daarom wel naar vergif, maar voor Smallegange was vergif geen optie. Vergif is milieuvervuilend en riskant in de buurt van levensmiddelen en vliegen bouwen er resistentie tegen op. Vliegenbestrijding begint volgens Smallegange natuurlijk met horren voor de ramen. Is voor de desondanks binnengedrongen insecten een val nodig, dan denkt ze dat een combinatie van verschillende soorten licht- en geurvallen het meest effectief is. ‘Welke combinatie hangt af van de ruimte die vliegvrij moet worden’, zegt ze. ‘In een donkere ruimte blijken geuren nauwelijks vliegen aan te trekken. Het zijn echt dagactieve dieren. In een verlichte ruimte werken geuren wel, tenzij daar al een sterke geur overheerst. In een stal die naar kippenstront ruikt, weet slechts de stank van bedorven vlees vliegen nog te bekoren, en dan alleen hongerige, geslachtsrijpe vrouwtjes.’

Tikkende neuzen
De elektrofysioloog Frits Kelling promoveerde twee jaar geleden in hetzelfde onderzoeksproject onder leiding van vliegendeskundige Kees den Otter. Kelling onderzocht de gevoeligheid van vliegenneuzen voor geuren. Hij zette vliegen klem in een taps toelopend buisje waar de vliegenkop uitstak. Met een spuit blies hij pufjes geurstof over de neus van de vlieg. Een vlieg ruikt met twee antennes en twee palpen, uitstulpingen naast zijn zuigmond. Aan weerszijden van de vliegenkop plaatste hij, turend door een binoculair, twee piepkleine elektroden die de activiteit van de reukcellen maten en omzetten in een tikkend geluid. De vliegenneuzen rikketikten het snelst na toediening van geïsoleerde geurstoffen uit kippenmest, rot vlees, gist en citrus. Smallegange testte vervolgens met die stoffen het vliegengedrag. Kippenmest, rot vlees en gistproducten (zoals in bier gedrenkt brood) lokten vliegen aan, citrusgeuren stootten ze juist af. De derde promovendus in het vliegenonderzoek, Nico Noorman, richtte zich vooral op seks-feromonen, geurstoffen waarmee vliegen partners aantrekken. Die zouden als lokstof in vliegenvallen als voordeel hebben dat ze uitsluitend insecten van één soort lokken. Maar de feromonen die Noorman isoleerde, bleken alleen op korte afstand door vliegen opgemerkt te worden.

Verschenen in NRC Handelsblad, 17 april 2004

De teloorgang van de huismus

Aan vogels geen gebrek in de bebouwde omgeving. Maar de huismus, ooit talrijkste vogel van Nederland, holt achteruit. Op het platteland met liefst vijftig procent, maar hoe zit het met de stadshuismus?

Koos Dijksterhuis

De rode zon gluurt langs de oude kerk van Noorddijk aan de stadsrand van Groningen. Het is half zes in de morgen en de vogels popelen. Merels kwelen hun melancholische lied, ineens overstemd door de oorverdovende trillers van een winterkoninkje. Ik loop richting stadshart en zie door een opening tussen de rijtjes nieuwbouwhuizen de Martinitoren aan de einder. Overal klinkt de schelle tweeklank van koolmezen, die nestkastjes aan het inspecteren zijn. In een uitbottende berk doet een putter zijn best op zijn neuzelende deuntje. Mannetjes-putters zijn geen beste zangers; zij moeten het in hun versierpogingen hebben van hun felgele vleugelstrepen en rode snoet. De zanglijster in de meidoornhaag doet het beter: luid schallen zijn coupletten over de slapende wijk. Hij laat verschillende wijsjes horen die hij drie, vier keer herhaalt. Ik beland in Lewenborg, een wijk uit de jaren zeventig. Dat het vele groen hier al wat ouder is, is te horen. In een kilometer hoor ik wel tien soorten vogels, waaronder de fitis met zijn zachte riedel die van hoog naar laag kabbelt, het ijle, verlegen roodborstliedje en de heldere klanken van een zwartkop. In de kruin van een kastanje knarst een groenling. Overal slaan vinken hun slag en tjiftjaffen tjiftjaffen. Lees “De teloorgang van de huismus” verder

De Müritz

Specialiteit: arenden en snoek

Het is een uur of zes rijden, met de trein een paar uur langer, naar de Müritz, een plassengebied tussen Berlijn en Rostock. Ik kwam er in 2001 voor het eerst en ga dit jaar weer. Tent opzetten aan de oever van een meer, inslapen met hoempende roerdompen, krassende grote karekieten, fluitende Noordse nachtegalen: heerlijk. De tientallen ondiepe plassen huisvesten ijsvogels, reigers en rallen. De heuvels tussen de plassen zijn begroeid met bejaarde bossen. Het wemelt er van de fluiters. Wie tegen de schemer te voet, per fiets of zelfs per auto, zich langs de bosranden waagt ziet ongetwijfeld damherten en heeft een redelijke kans op wild zwijn, vos of das. Otters en bevers komen juist in de nattigheid voor. Behalve plas, moeras en bos zijn hier gigantische akkers, waarin een restpopulatie grote trappen zijn laatste stuiptrekkingen maakt. De kans om de schuwe zeldzaamheden te zien, is klein. Veel groter is de kans op kraanvogels, die in dit gebied broeden. Als stelletje of jong gezin met één of twee kuikens stappen ze over de akkers. Vooral met een rode zon in ochtend- of avondnevel is dat een feestelijk schouwspel. Tussen de enorme akkers heeft het ouderwetse, kleinschalige cultuurland het communisme goed doorstaan. Ze zeggen altijd dat het milieu in het oostblok zo schandalig werd vervuild. Dat is ook zo, maar het landschap leed er veel minder onder verwoestende ruilverkaveling, ontwatering en bemesting, dan het westerse. Het zal binnenkort misschien alsnog op de schop gaan maar nu broeden hier nog kwartels, kwartelkoningen, patrijzen, grauwe klauwieren en ortolanen. Met uitzondering van bergen en wad zijn de meest waardevolle vogellandschappen verenigd in de Müritz. Het is er dan ook goed toeven voor de vakantieganger. Behalve genieten van de vogels, het landschap en het natuurschoon kun je overal kano’s huren, zwemmen en vis eten. Het water is hier schoon. Uit onderzoek naar de hier broedende visarenden blijkt dat het dieet van deze vogels voor de helft uit snoeken bestaat. En snoeken gedijen in schoon, helder water. Zij jagen namelijk op zicht. Zo’n vers gevangen snoek op je bord is eveneens een feest. Bord patat erbij, sla en pint bier: hooguit tien euro. Lees “De Müritz” verder

Uilen

Ik wist haar te strikken voor een koude winteravond. Middernacht was beter geweest, maar negen uur ging ook best. We liepen door de donkere lanen naar het bos. Daar zaten uilen, wist ik. Ik zwierf graag door het bos, ‘s nachts. Was zij er maar, wenste ik dan, in het stikdonkere bos zou ik haar vast durven aanraken.
Het bos was een zwarte muur; dreigend, geheimzinnig. Je kon nauwelijks een boom onderscheiden. We schuifelden om stammen te ontwijken en geen geluid te maken. Achter iedere boom kon een engbek schuilen, die je naar de keel vloog. Mijn arm om haar heen, dacht ik, hoe krijg ik mijn arm om haar heen, op het veld van de uilen, daar sla ik mijn arm om haar heen. Op die open plek bleven we staan. Kale takken staken boven de zwarte bosrand uit. Ik floot de holle, langgerekte roep van de bosuil, wegstervend in hortende tonen. Iedereen die regelmatig speelfilms ziet, kent dat geluid. Bij een nachtelijke, griezelige of geheimzinnige scene wordt het steevast afgespeeld, ongeacht het seizoen of de plek. Weer deed ik de roep na. Roerloos wachtten we. Ineens klonk in de verte hetzelfde holle gefluit. Ik floot nog eens. Het gefluit antwoordde, vlakbij nu. Er bewoog iets op een uitstekende tak. De plompe contour van een uil. Weer floot ik. De uil rende heen en weer over de tak, zette zich af en zeilde als een brede schaduw geluidloos op ons af. Ik kreeg een mep tegen mijn hoofd. Zij slaakte een kreet. Nu! dacht ik, maar nu was al daarnet. Lees “Uilen” verder

Geschiedenis van duurzame energie in Nederland

‘Kernenergie was een potentieel allesvernietigende technologie: de geest was uit de technologische fles ontsnapt en dreigde zich tegen de meester te keren. Grootschalige toepassing zou onvermijdelijk tot een politiestaat leiden’. Door de dreiging van kernenergie breidde het maatschappelijk protest zich in de jaren ‘70 uit van langharigen tot keurige wetenschappers en politici. En verschoof het accent van protest naar het ontwikkelen van schonere energiewinning. In Een kwestie van lange adem komen de pioniers van de Werkgroep Kernenergie, de Kleine Aarde en de Organisatie voor Duurzame Energie uitgebreid aan de orde. Twee oliecrises later, waarvan de tweede rond 1980 viel en aan nog hogere olieprijzen te wijten was dan de eerste in 1973, wordt de discussie over kernenergie feller gevoerd dan ooit. Wie herinnert zich niet De Brede Maatschappelijke Discussie uit begin jaren ‘80, terwijl die van vorig jaar over biogenetica nu al vergeten is? Toch was die energie-discussie volgens de auteurs van deze geschiedenis van duurzame energie in Nederland ‘niet meer dan een tactische poging het verzet tegen dit beleid stoom te laten afblazen, om na deze pauze weer op de oude koers terug te komen’. Er kwam wat meer aandacht voor energiebesparing, maar de opeenvolgende regeringen bleven doorgaan met kernergie. Niet de BMD, maar Tsjernobyl keerde in 1986 het schip.

In 400 grote, volle pagina’s komen bijna alle aspecten van de duurzame-energiegeschiedenis aan bod. Energiewinning uit zon, wind, waterkracht, biomassa; ze hebben allemaal een eigen hoofdstuk. En hoewel het boek over Nederland gaat, krijgt duurzame energie in ontwikkelingssamenwerking liefst veertig pagina’s toebedeeld. Dat introductie van wind- en zonne-energie in ontwikkelingslanden eerst maar niet wilde lukken, lag volgens de auteurs niet alleen aan cultuurverschillen en allerlei vergissingen bij de implementatie, maar vooral aan het negatieve voorbeeld dat de rijke landen zelf gaven, door te blijven modderen met kernenerige en geen haast te maken met duurzame energie.
Dankzij de uitgebreide index is dit veelomvattende boek een uitstekend naslagwerk. Maar wie snel de grote lijnen in het energiebeleid zoekt, had baat gehad bij een samanvatting. Wie een paar avonden vrijmaakt en het boek helemaal leest, wordt beloond met een hart onder zijn riem: in dertig jaar milieuprotest en energiebeleid is de wind langzaam maar gestaag de goede kant op gedraaid. Dat is nou eenmaal een kwestie van lange adem.

Een kwestie van lange adem – de geschiedenis van duurzame energie in Nederland,
G.Verbong e.a. Uitg. Aeneas, Boxtel, 2001. m39,-.

In Milieudefensie, maart 2002