Herfst…

Eekhoorntjesbrood, © K. Dijksterhuis

Hoewel we graag genieten van de nazomer en nagenieten van de zomer, is de herfst al in volle gang. Vogels trekken, de ochtenden zijn nevelig, de kruisspinnen weven muren van webben, de bessen rijpen, de avond valt steeds eerder. En wat zijn er al een paddestoelen! Begin augustus zag ik op gemaaide wegbermen al een keur aan zwammen. Onder een bejaarde eik stond een kring van eekhoorntjesbrood. De broodjes waren oudbakken, en omdat vele kleine diertjes eekhoorntjesbrood lusten, kunnen er in oude zwammen kleine diertjes schuilgaan die je liever niet eet. Daarom kun je zo’n oude zwam maar beter laten staan. Anders had ik hem in plakken in de hapjespan gehakt. Lees “Herfst…” verder

Een vingerhoedje kruid

Vingerhoedskruid, © K. Dijksterhuis

Toen ik een jaar of acht was, wezen mijn ouders me tijdens een fietstochtje een uitbundig bloeiende, roze bloem aan.  ‘Die plant is heel giftig. Als je hem opeet, kun je doodgaan.’ Ik at nooit bloemen, maar vingerhoedskruid bleef fascineren. Ik zag de bloemen in tuinen, in bossen, aan bosranden. Meestal roze, soms wit. In het wild is vingerhoedskruid algemeen, maar de wilde bloemen kunnen nazaten zijn van gekweekte uit tuinen. Wild of tam; beide zijn giftig. Lees “Een vingerhoedje kruid” verder

Appeltak op de grond

Appeltak, © K. Dijksterhuis

Midden op het bospad zit op de grond een groene vlinder met gespreide vleugels. Er passeren wandelaars, ruiters, gehelmde bosfietsers, honden, kinderwagens, huifkarren, crossmotoren – geen voertuig is te dol, of het rijdt in ’s lands natuur. De groene vlinder blijft zitten. In het vrij donkere bos, op de donkere ondergrond, valt hij op. Zijn groen is licht, alsof er een waas van wit poeder overheen zit. Dat opvallende zou zijn redding kunnen zijn, zolang de bosfietsers, ruiters en crossmotoristen alert reageren en bereid zijn een stapje opzij te doen. Lees “Appeltak op de grond” verder

Twee lepelaars

Lepelaars, © K. Dijksterhuis

Achter ons huisje op Schiermonnikoog kijk ik omhoog en warempel, twee lepelaars vliegen over. Op Schier broeden zo’n tweehonderd paar lepelaars. Dat zijn dus vierhonderd lepelaars, nog afgezien van de jongen. Op Schier zag ik in mei 1988 voor de eerste keer lepelaars, in een slenk bij de Kobbeduinen. Dat was een hele belevenis. Het is nog altijd een belevenis om lepelaars te zien. Prachtige beesten. Ze lusten graag visjes, maar ik zie ze ook wel over het wad scharrelen, waar ze vast op garnalen jagen. Ze eten wat de pot schaft, zolang het met die platte snavel te grijpen valt. Lees “Twee lepelaars” verder

Klein maar fijnstraal

Canadese fijnstraal, © K. Dijksterhuis

Op een braakliggend stuk tuin in een woonwijk groeide in een maand tijd een weelderige wildernis van planten tot navelhoogte. Waarschijnlijk ligt dat stuk tuin nog niet zo lang braak, een jaar of twee misschien, want er groeien vooral pionierplanten van verrommelde grond. Soorten als melkdistel, perzikkruid, klein wilgeroosje, bijvoet, melganzevoet en Canadese fijnstraal. Het zijn zeer algemene planten die tussen de straatstenen opkomen, als dat hen zo uitkomt. Toch vind ik het wonderbaarlijk hoeveel soorten er meteen te vinden zijn. Robertskruid, koninginnekruid, paardebloem en nog een hele rij planten die het botanistenhart niet doen opspringen. Maar toch. Neem nou die Canadese fijnstraal. Lees “Klein maar fijnstraal” verder