Vierentwintigstippelig lieveheersbeestje is vegetariër

Als kind ving ik lieveheersbeestjes die ik met wat blaadjes in een terrarium deed. Gelukkig liet ik ze weer vrij, want de meeste lieveheersbeestjes eten niet de plant waarop ze zitten, maar de bladluizen die de plant eten. Vooral hun larven zijn bladluizenkillers. Ik denk dat een bladluis, indien beschikkend over kennis van lief en stout, een lieveheersbeestje eerder een krijgsheersbeest zou noemen.
Lieveheersbeestjes zijn inzetbaar als biologische bladluizenbestrijders, wat prachtig is, ware het niet dat daarvoor een soort uit China werd gehaald: het Aziatische lieveheersbeestje. Dat blijkt niet zo’n lief heersbeestje te zijn. De Aziaten overwinteren in huis, kunnen bijten, en verdringen de hier inheemse soorten. In Nederland hebben we meer dan vijftig soorten lieveheersbeestjes!
Als kind werd me wijsgemaakt dat het aantal stippen de leeftijd van het lieveheersbeestje verried. Ze waren meestal zeven jaar. Ik kom nog steeds vooral zevenstippelige tegen; die zijn het best tegen de Aziaten opgewassen. Ook veertienstippelige zijn er, die vanwege hun geblokte stippen vaak schaakbordlieveheersbeestjes worden genoemd. Verder zijn er citroenlieveheersbeestjes (geel met zwarte stippen) en meeldauwlieveheersbeestjes (bruin met crèmekleurige stippen).
Vierentwintigstippelige lieveheersbeestjes -met zo’n naam is een column snel vol- heb ik nog niet in de tuin gezien, in het jaar dat we hier nu wonen. Ik verwacht ze wel, want ze zitten graag in een weelderige vegetatie met veel koekoeksbloemen en die hebben we bij de vleet. In tegenstelling tot de meeste heersbeestjes eten ze geen bladluizen, maar zijn ze vegetariër. Tot nu toe moest ik voor deze kevertjes naar de voor insecten (en vogels en mensen) paradijselijke tuin van Jeanette Essink, die zelfs de minuscule eitjes van de beestjes weet te vinden.
De heersbeestjes zelf zijn weliswaar kleiner dan hun zevenstippelige broeders, maar blootoogs goed te zien. Ze glanzen niet, vanwege hun beharing. Voor het tellen van hun stippen geven ze meestal te weinig tijd – weten ze zich bekeken, dan kruipen ze naar de achterkant van het blad.
(Natuurdagboek Trouw, woensdag 28 mei ‘25)